Leernetwerken voor onderwijsverbetering op de basisvaardigheden
Wilco Meijer en Martine van Schaik werken als onderwijscoördinator bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Hoe kunnen begeleide leernetwerken helpen om scherp te krijgen wat jij als rekencoördinator moet doen om het reken-wiskundeonderwijs in de verschillende groepen op school te verbeteren?
Binnen het programma Masterplan basisvaardigheden van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden scholen sinds afgelopen schooljaar begeleid in leernetwerken. Veel scholen zoeken naar manieren om de basisvaardigheden te verbeteren en merken dat leernetwerken daar een goede manier voor zijn. Die vorm van werken aan onderwijsverbetering willen veel scholen ook voor hun reken-wiskundeonderwijs. Binnen het Masterplan zijn 14 onderwijscoördinatoren actief om scholen concrete ondersteuning te bieden. Wij, Martine van Schaik en Wilco Meijer, zijn daar twee van.
We ondersteunen met individuele begeleiding scholen die door de Inspectie als zeer zwak of onvoldoende zijn beoordeeld. Overige scholen helpen we met begeleide leernetwerken. Deze hebben een stevige academische basis. We maken bijvoorbeeld gebruik van een Theory of Action (TOA). We merken dat dit een heel effectief hulpmiddel is wanneer je een verandering in de school wilt laten slagen.
Wetenschappelijke basis
In de begeleide leernetwerken werken we met scholen aan verschillende elementen. Allereerst redeneren we met een Theory of Action vanuit de (gewenste) situatie in de klas. En vandaaruit naar wat de leraar en schoolleider zouden moeten doen. Deze werkwijze is afkomstig van Argyris en Schön (1974). Argyris en Schön gaan ervan uit dat leren van een professional plaatsvindt door hypotheses te vormen, te testen en bij te stellen. In Theory in Practice beschrijven ze een aantal perspectieven die professionals gebruiken om hun handelen tijdens het werk vorm te geven. Een van deze perspectieven is de Theory of Action. Deze beschrijft de stappen die volgen uit jouw actie en het beoogde resultaat van deze actie. Deze wordt geformuleerd volgens het ‘als x dan y-principe’. We merken dat scholen deze werkwijze prettig vinden. Zij krijgen de beschikking over een model om onderwijsverbetering tastbaar en hanteerbaar te maken. Een abstract academisch concept wordt in de praktijk een welkom hulpmiddel om te werken aan onderwijsverbetering.
De basis voor deze werkwijze in het onderwijs is gelegd door de universiteit van Washington, die een vertaling van de TOA voor de onderwijspraktijk maakte. Het verbeteren van het leren van de leerling is het vertrekpunt bij het nadenken over onderwijsinnovatie. Hierbij is het uitgangspunt de huidige situatie in de klas waardoor het aanzet om heel concreet te beschrijven wat je daar ziet. Door het opstellen van een TOA sta je stil bij alle betrokkenen bij het leren van de kinderen, waarbij je systematisch nagaat wat er nodig is om deze verandering te doen slagen. De structuur biedt je een middel om de opgestelde hypotheses te toetsen en bij te stellen.
Begeleide leernetwerken
Binnen de begeleide leernetwerken gebruiken we de Theory of Action om scholen te ondersteunen. De doorvertaling voor het Masterplan basisvaardigheden ziet er als volgt uit:
_w880.jpg)
Je begint bij de leerlingen: wat zie je gebeuren in het leerproces van de leerlingen en wat moet daar veranderen? Vervolgens stel je een hypothese vast over wat dat betekent voor de leerkrachten en de (school)leiding. Daaruit volgt wat de (school)leiding moet doen om leraren in staat te stellen de verandering bij de leerlingen te verwezenlijken.
Een praktijkvoorbeeld
Uit de data van de school blijkt dat het percentage leerlingen dat onder het 1F-niveau presteert hoger is dan bij vergelijkbare scholen. Wanneer je kritisch de leerkrachten bevraagt over de uitdagingen die zij hebben in de rekenles, valt op dat er enorme verschillen zijn waar zij rekening mee moeten houden. Na een aantal lesobservaties in verschillende rekenlessen valt op dat er weinig differentiatie in de instructie en de verwerking zit. De klassikale instructie wordt min of meer herhaald voor de leerlingen die moeite hebben met rekenen, maar dan in een klein groepje. Deze leerlingen blijven daarna aan de instructietafel zitten en krijgen ondersteuning bij het maken van de opgaven. Voor leerlingen die moeite hebben met rekenen zet de school extra ondersteuning in, meestal verzorgd door een onderwijsondersteuner die vooral opgaven oefent met de leerling.
Door het maken van een Theory of Action van deze situatie is het mogelijk om vast te stellen wat je wilt veranderen. De eerste stap die je hierbij zet, is vaststellen wat je nu ziet bij het leren van de leerlingen. In deze situatie zie je dat leerlingen die moeite hebben met rekenen-wiskunde minder presteren dan leerlingen op andere scholen. Duidelijk is dat je dit wilt veranderen.
Bij de leerkrachten zie je dat de instructie gericht is op leerlingen die gemiddeld presteren. Ze herhalen grotendeels hun instructie voor leerlingen die minder presteren. Deze leerlingen leren kortom niet veel nieuws, maar hebben wel minder tijd om te oefenen.
Op basis van deze gegevens stel je de volgende veranderende situatie vast: je wilt dat de leerkrachten in staat zijn om de lessen zo in te richten dat de leerlingen instructie krijgen die is aangepast aan hun handelingsniveau uit het handelingsmodel ERWD (Van Groenestijn, 2011). Dit betekent dat zowel voor de bovengemiddelde als de minder presterende leerlingen er aangepast instructie wordt verzorgd.
Vervolgens kijk je naar de laatste kolom, namelijk wat de (school)leiding nu doet op dit vlak. Ook jij als rekencoördinator hebt hier een rol in. Als rekencoördinator ben je nu vooral vraagbaak voor de leerkrachten in het team, maar deze situatie vraagt om een andere interventie. Je besluit dat je een scholing gaat organiseren waarin het handelingsmodel wordt uitgelegd aan de leerkrachten, waarna je tijd vrij gaat maken om te helpen bij de lesvoorbereiding en te coachen in de groepen.
Door vanuit het leren van de leerlingen te redeneren, kun je nu een interventie opstellen waarvan alle elementen toetsbaar zijn.
Wij merken dat een Theory of Action twee grote voordelen heeft. Ten eerste is het leren van de leerling het vertrekpunt; je kijkt daarom naar wat je daar wilt veranderen. Ten tweede zijn alle stappen die je wilt zetten toetsbaar. Vanuit bovengenoemd voorbeeld zou de Theory of Action van de rekencoördinator er als volgt kunnen uitzien: “Als ik ervoor zorg dat er een scholing wordt verzorgd over het handelingsmodel en leerkrachten ga ondersteunen bij de lesvoorbereiding en ze ga coachen tijdens de lessen, dan zullen de leerkrachten lessen gaan geven waarin beter wordt ingespeeld op het handelingsniveau van de leerlingen. Hierdoor zullen de leerlingen een leergroei laten zien die vergelijkbaar is met andere scholen met een vergelijkbare populatie.” Tijdens de uitvoering kunnen we zien of de scholing effectief is, of de leerkrachten hun lessen gaan aanpassen en of de leerlingen daardoor ook beter gaan presteren.
Ervaringen van schoolleiders en rekencoördinatoren
Op dit moment begeleiden wij in leernetwerken scholen die aan de slag gaan met de subsidie Verbetering basisvaardigheden. We organiseren hiervoor bijeenkomsten met groepen van vier tot zes scholen. Deelnemers aan deze groepen zijn voornamelijk schoolleiders en IB’ers. We richten ons hierbij op het verbeteren van het onderwijs in de klas. Daar waar het het rekenonderwijs raakt, worden ook de rekencoördinatoren meegenomen in dit proces. We merken dat wanneer scholen hun TOA als uitgangspunt nemen voor bepaalde uitdagende interventies, ze in staat zijn om een resultaat te formuleren wat concreet beschrijft wat er moet veranderen bij de leerlingen en wat daarvoor van hen nodig is. Hierdoor hebben ze een instrument in handen dat ze kunnen gebruiken om vast te stellen of de actie die ze hebben bedacht ook werkelijk tot het gewenste resultaat leidt. Door alle als-dan-acties vast te leggen, lukt het beter om hierop te monitoren en kun je ook tussentijds goed vaststellen of je de goede actie hebt ingezet, of de actie goed is uitgevoerd en welke resultaten deze actie oplevert bij het leren van de leerlingen. Dit biedt mogelijkheden om tijdig bij te stellen en te sturen op het gewenste resultaat.
Evidence-informed werken
Ook als rekencoördinator of als leerkracht kan een TOA helpen om scherp te krijgen welke verandering je wilt zien in de klas. Het kan je helpen om concreet te maken wat hiervoor nodig is, bij jezelf en vanuit de schoolleiding. Daarnaast biedt het een hulpmiddel om kritisch en onderzoeksmatig te werken. Door het opstellen van hypotheses en deze ook daadwerkelijk te testen in de praktijk, kom je er snel achter of de ingezette interventie werkt of niet. Door gebruik te maken van kennis uit onderzoek en deze in de eigen praktijk te toetsen, kom je erachter wat werkt in jouw groep, op dit moment. De TOA kan een goed hulpmiddel zijn als je evidence-informed aan het verbeteren van je onderwijs werkt.
Literatuur
Argyris, C., & Schön, D. (1974). Theory in Practice. San Francisco: Jossey Bass.
Argyris, C., & Schön, D. (1978). Organizational learning: A theory of action perspective. Reading Massachusetts: Addison-Wesley.
Jelier, W. (2017). Alles op een rij…Praktische handreikingen uit onderzoek voor het basisonderwijs I. Meppel: Ten Brink Uitgevers.
NRO te vinden via www.didactiefonline.nl
Weijer, E. van de, Luit, J.E.H. van, Prast, E.J., Kroesbergen, E.H., Kaskens, J., Compagnie-Rietberg, C.W., Cijvat, I., & Logetenberg, H. (2016). Differentiëren in het rekenonderwijs. Hoe doe je dat in de praktijk? Graviant Scientific & Educational Books.
Groenestijn, M. van, Borghouts, C., & Janssen C. (2011). Protocol Ernstige RekenWiskundeproblemen en Dyscalculie. Assen: Koninklijke van Gorcum.